Je bent hier:

U bent hier

De mooiste opstart

Foto © Evelien de Jonghe

Reeks: Blog van een Bednet-consulent

Bieke Stegen (37) gaf twaalf jaar les in het lager onderwijs in Brussel. Nu is ze consulent bij Bednet. Ze introduceert Bednet bij de gezinnen thuis en op school. In dit artikel vertelt ze over een opstart en de momenten die haar zijn bijgebleven. "Het positieve nieuws dat we in de huiskamer en in de klas brengen. Dát is zo mooi aan onze job."

Even een stapje terug in mijn gedachten. Me weer voor ogen houden wat er zo mooi is aan onze job. Het positieve nieuws dat we in de huiskamer en in de klas brengen en de moed die iedereen eruit haalt. De glinsters in de ogen van de kinderen als ze elkaar weerzien via de camera. Niet denkend aan het oneerlijke, het machteloze, het waarom…

Eerste kennismaking op school met de klasjuf en de zorgcoördinator: twee vrouwen met een gouden hart. Ze zijn duidelijk aangedaan en bang. Vragen worden mijn richting uitgegooid:  “Hoe gaan we hier mee om op school?! Hoe ziet zijn toekomst eruit? Hij heeft het al moeilijk in de klas, hij praat enkel op school Nederlands… Heeft hij pijn? Hoe is het met hem? Heb jij hem al gezien? Voor de ouders is het écht geen optie om het woord ‘kanker’ uit te spreken in de klas...” Mijn hoofd ratelt. Misschien maakt de ontkenning het allemaal minder erg? Misschien gaat het dan wat sneller voorbij? Misschien ‘wat niet weet, wat niet deert’...

Ik leg uit hoe Bednet verloopt. Welke stappen er gezet moeten worden. “Zie je het zitten, juf? Zo’n camera in de klas? En wat weten de klasgenoten op dit moment over hem?”

Enkele dagen later word ik hartelijk ontvangen in hartje Brussel. In het midden van de woonkamer staat een ziekenhuisbed. In dat bed ligt N., zonder haren, wel met blinkende ogen: vol leven. “Hij heeft een goede dag vandaag.”

Mama en papa vertellen kort het verhaal. Over hoe snel het allemaal ging. Over hoe heel je wereld overhoop wordt gehaald. Over hoe de andere kinderen van het gezin in een hoekje kruipen en niet weten wat er allemaal gebeurt. Over wat hen de afgelopen jaren ook al deed vechten. Mama is zelf zwaar ziek geweest…

Op dit moment brengen deze mensen al hun tijd door binnen de vier muren van het huis en binnen die van het ziekenhuis. Nu en minstens ook het komende halfjaar.

N. heeft een eerste operatie achter de rug en kan niet lopen - mág niet lopen. Bednet ziet hij wel zitten: zijn vrienden terugzien. “Geen haar? Da’s niet zo erg. Dan draag ik wel ‘ne casquette’ ofzo.”

Een drietal weken later. De Kerstvakantie is voorbij.
Opnieuw ga ik naar de school om Bednet uit te leggen, maar nu aan de klasgenoten en de juf. Het is een fijne klas, vol opgewekte kinderen die vol ongeduld wachten op het weerzien. Ik vertel hen dat dat pas voor morgen zal zijn. “Op dit moment ligt N. nog in het ziekenhuis voor medicatie. Maar wat verwachten jullie ervan? Heeft iemand van jullie N. al gezien?” “Neen, soms via de Playstation gespeeld samen, maar niet gezien.”, antwoordt een klasgenootje. “Heeft hij nog haren?”, klinkt het in de klas. “Neen.”, zeg ik. Je voelt de angst. Moest angst meetbaar zijn, zou het niet om te zetten zijn in cijfers.

Ik probeer zo duidelijk mogelijk alle vragen te beantwoorden en hen voor te bereiden. Doch, hoe het écht zal verlopen, weten we morgen pas.

Woensdagochtend. Afspraak om 9 uur bij N. thuis.
Ik kom binnen en zie een heel andere N... De chemo begint zijn tol te eisen. Hij ziet er bleek, moe en angstig uit. Hij ziet het niet zitten… Écht niet.
Mama en papa staan heel de tijd naast zijn bed, boordevol liefde. N. beseft plots dat hij zijn klasgenoten al weken niet meer heeft gezien, gehoord, geroken of gevoeld. Hij beseft dat hij de N. van toen niet meer is. “Laat mij a.u.b. in mijn cocon zitten. Dan doet het minder pijn…”

Ik bel de zorgcoördinator op om te vertellen dat het te moeilijk is voor N. We stellen het opstart uit en ik vertel haar dat we even gaan praten en ik haar weer zal contacteren.

Ik krijg een koffietje. Mama en papa proberen N. te overtuigen. “Morgen”, zegt hij. Morgen… Waarom weet hij niet… Ik stel voor om het te proberen met enkele klasgenoten, of enkel de juf. Misschien met zijn broertje en zusje?

“Neen… morgen...”

Ik besluit om alsnog contact te maken met de klas, zodat ik de verbinding kan controleren en hij kan meekijken, zonder zelf in beeld te komen. “Dat is goed.”, zegt hij.

We maken verbinding. Alle kinderen zitten gericht naar het scherm. Ik vertel hen dat N. hen kan zien. Ze zwaaien, gooien zoenen en roepen enthousiast zijn naam. Ik beweeg wat met de camera zodat N. de klas beter kan zien. “Er zit een nieuw meisje in de klas, kan jij ze vinden?” Beetje bij beetje groeit zijn zelfvertrouwen.

Twee uur later vertrek ik met een warm gevoel naar huis. Papa en mama bedankten me met tranen van blijdschap. N. heeft er duidelijk wat moed uitgehaald.

Het positieve nieuws dat we in de huiskamer en in de klas brengen. De moed die iedereen eruit haalt. De glinsters in de ogen van de kinderen als ze elkaar weerzien via de camera. Niet denkend aan het oneerlijke, het machteloze, het waarom… Dát is zo mooi aan onze job.